ARIE

ARIE MIJN IN EN INSLECHTE VRIEND
Hoe kan een man die een gezellige kroeg heeft aan de haven van het oude Hoorn zo'n slechte inborst hebben? We schrijven begin jaren zeventig. Werkeloos zwerf ik door het oude stadje, op zoek naar een baantje... wat kan me niet schelen want er moet wat verdiend worden maar wat.

Bij toeval kom ik in het kroegje. Daar ontmoet ik Arie, de eigenaar. Die lijkt te voelen wat ik zoek, een baantje. Arie en ik raken aan de praat en hij biedt mij een baan aan als chauffeur.
Want hij heeft geen rijbewijs en hij vraagt mij of ik horeca ervaring heb, omdat de kroeg dag en nacht open is.
Ik neem de baan natuurlijk aan en hij zorgt voor mij, al was ik zijn beste vriend. De ritten naar de Amsterdamse wallen waar hij 36 ramen in bezit heeft bezoeken we wekelijks. Telkens op dinsdagavond.
Arie heeft twee deuren voorbij zijn cafe een huis waar zijn twee vrouwen wonen. Hun draaiden de zaak op de dag. Ik krijg een kamer op de bovenste verdieping. Steeds vaker moeten Arie en ik naar Bergen aan zee. Daar woont zijn zakenpartner.
Na enige tijd ontdek ik dat Arie steeds vaker een koffertje bij zich heeft en op een dag vertrouwd hij mij toe dat er geen poedersuiker in zit maar wit goud.
Dit is het aan de waarheid grenzende verhaal van de drugshandel aan het begin van de jaren zeventig. Van zo dichtbij opgeschreven dat het lijkt en voelt of je er naar kijkt omdat het verhaal voor je ogen als het ware ontrolt.